Achtergrond en doelstelling van de wet

Door allerlei wetgevende maatregelen is de instroom van vaste werknemers in de WIA de afgelopen jaren gedaald. De instroom van vangnetters is echter gelijk gebleven. Hoewel vangnetters maar een beperkt deel uitmaken van het verzekerdenbestand, zijn zij inmiddels verantwoordelijk voor meer dan de helft van de instroom in de WIA. Doordat zij geen werkgever meer hebben die hen kan re-integreren, is voor hen de kans veel groter dat zij bij ziekte na 104 weken aanspraak moeten maken op een WIA-uitkering. De wetgever ziet zich gedwongen om dit probleem op te lossen en heeft daarbij teruggegrepen op een al eerder beproefd recept: de individuele werkgever verantwoordelijk maken voor de arbeidsongeschiktheid en de re-integratie en dus de werkgever individueel laten betalen voor de uitkeringen. Dat betalen kan in de vorm van een hogere gedifferentieerde premie die aan het UWV betaald moet worden als een vangnetter een uitkering krijgt (premiedifferentiatie) of door de werkgever zelf de uitkering van de vangnetter te laten betalen (eigenrisicodragen). Het laatste risico wordt dan doorgaans bij een verzekeringsmaatschappij verzekerd.

 

Een langdurig arbeidsongeschikte werknemer kan de grote werkgever in totaliteit meer dan zeven jaarsalarissen kosten als de werkgever eigenrisicodrager is, en nog veel meer als de werkgever geen eigenrisicodrager is. Een dergelijke kostenpost kan voortaan ook ontstaan als een werknemer met een tijdelijk contract ziek uit dienst gaat. Voorheen kwamen deze kosten overigens ook al voor rekening van de werkgever, maar werden deze landelijk of per sector omgeslagen over alle werkgevers c.q. over alle werkgevers in een bepaalde sector, met als gevolg dat een werkgever er eigenlijk niets van merkte als aan een (ex-) werknemer een uitkering werd toegekend.


Premiedifferentiatie